De bloeddruksensor BT17i is een relatief bewerkelijke sensor waarbij het produceren van een mooie grafiek niet geautomatiseerd kan worden. Dit komt omdat er bij elke meting steeds handmatig piek- en dalwaarden geselecteerd moeten worden. De procedure voor het maken van een klokgrafiek is uitgebreid beschreven in de handleiding van de bloeddruksensor. Lees deze goed door en volg de stappen.

Er zijn een aantal tips waardoor het gemakkelijker wordt om de punten in de grafiek te selecteren. Hoe meer punten er zijn, hoe nauwkeuriger de analyse wordt. Met 30 punten is de analyse echter al goed te doen. Daarnaast kan er op de volgende punten gelet worden:

  • Zorg dat de totale meting niet langer dan 40 tot 60 seconden duurt. Dit kan bereikt worden door met het stelschroefje het ventiel verder open te zetten zodat de manchet sneller leegloopt.
  • Selecteer eerst het interval van de gegevens waarin u de punten wil selecteren. Doe dit door bij “punten selecteren” te kiezen voor gebied i.p.v. punten. Hierdoor wordt het aantal punten aanzienlijk minder en is het daarna eenvoudiger de punten te selecteren.
  • Maximaliseer het selectiescherm door deze op volledig scherm te zetten met het icoontje rechts in de hoek. Op deze manier werkt u in een groter scherm waardoor de punten beter te selecteren zijn.

Lukken de bewerkingen, maar krijgt de grafiek alsnog geen mooie klokvorm? Houdt dan rekening met het volgende:

  • Er kan een te klein interval zijn voor p_trend. Het beste resultaat krijgt u wanneer deze in ieder geval van 40 mmHg tot 140 mmHg loopt. Wanneer dit interval kleiner is, kan een deel van de grafiek wegvallen. Dit is te verhelpen door in de ruwe meting punten te selecteren over het hele interval. Juist de metingen bij 40 mmHg en 140 mmHg zijn belangrijk voor de klokvorm.
  • Het kan zijn dat voor p_puls of p_trend de benadering niet goed gegaan is. In dit geval loopt de klokvormige grafiek wel over het volledige interval maar heeft deze geen goede klokvorm. Dit kan komen doordat voor één van de twee metingen (p_puls of p_trend) de geselecteerde punten op een kleiner interval liggen of niet goed verspreid zijn over het interval. Het beste is om bij elke top (p_puls) ook het links liggende dal (p_trend) te selecteren.

Als er een kracht wordt uitgeoefend op de sensor die groter is dan de maximaal toegestane kracht (> 80 N), dan kan de interne rekstrook zijn elasticiteit verliezen. De sensor is daarna niet meer bruikbaar en zal moeten worden gerepareerd of vervangen.

Ja, dit hoort. De sensor maakt gebruik van een Hall-element en deze geeft altijd een sinusoïdaal signaal met een amplitude van ongeveer 2,5 mT, bovenop het gemeten signaal. Dit is zogeheten “1/f ruis”.

Als een sensor een systematische afwijking vertoont, of als op een andere manier de ijking niet overeenkomt met uw gewenste toepassing, dan kan het EEPROM-geheugen in de sensor worden bijgewerkt. Dit kan het het programma SensorCalibrate dat via onze website te downloaden is (tab Hulpprogramma’s). U heeft hiervoor een CoachLab II+ of ULAB nodig. Na het bijwerken wordt bij het aansluiten van de sensor de nieuwe EEPROM-ijking uitgelezen en kunt u direct met uw eigen ijking aan de slag.

Dit probleem doet zich alleen voor in Coach 6.

Als meerdere identieke sensoren aanwezig zijn die één positie op het sensorpalet delen, dan delen ze ook hun kalibratie. De kalibratie van alle sensoren verandert als die van een enkele wordt aangepast. Volg de volgende stappen om sensoren los te kalibreren:

  1. Sluit een sensor aan. Sleep het bijbehorende icoon van positie 1 op het palet naar een interface-input. Als de sensor niet aanwezig is, of niet wordt herkend, moet deze handmatig uit de sensorbibliotheek gekozen worden.
  2. Kalibreer de sensor door rechts op het icoon te klikken en ‘Op nul zetten’ of ‘Op waarde stellen’ te kiezen. Op het moment dat je de kalibratie bevestigt, wordt het pictogram (en alle pictogrammen op dezelfde sensorpaletpositie) gedefinieerd als een lokale sensor en gebruikt Coach niet langer de kalibratie uit de sensorbibliotheek.
  3. Sluit een tweede sensor aan en sleep het icoon van positie 2 op het sensorpalet naar een andere ingang van een interface. Nogmaals, als de sensor niet aanwezig is, of niet wordt herkend, moet deze handmatig uit de sensorbibliotheek gekozen worden.
  4. Kalibreer de tweede sensor en bevestig. De sensorpictogrammen werken nu onafhankelijk van elkaar en hebben verschillende kalibraties. Hetzelfde kan gedaan worden voor een derde en vierde sensor. Sla uw activiteit of resultaat met de kalibraties op. Dit zijn lokale activiteit kalibraties en zullen alleen beschikbaar zijn in deze activiteit en niet in de standaard Coach Sensorbibliotheek.

Hiervoor kunnen meerdere oorzaken zijn, zoals:

  • De ECG-signalen vertonen meer ruis naarmate de spieren meer gespannen zijn. De sensor kan (dus) ook gebruikt worden om spierspanning mee te meten. Laat de proefpersoon bij een gewone ECG-meting de armen zo ontspannen mogelijk voor zich houden (op schoot of ondersteund door een tafelblad).
  • De gebruikte meetfrequentie bepaalt mede hoeveel ruis er gemeten wordt. Een frequentie van 50 Hz is hoog genoeg om een goed signaal met weinig ruis te meten. Een frequentie van 200 Hz geeft veel meer ruis.
  • Bij de oudere ECG-set (0628i) worden de elektroden m.b.v. 4mm snoeren aan de versterker gekoppeld. Twee evenwijdige draden gaan als een antenne fungeren en vangen zo ruis van het lichtnet op. Wikkel de snoeren een aantal keren om elkaar heen om deze ruis kwijt te raken.

Verdere uitleg over de werking van de ECG-sensor en het verminderen van ruis is te vinden in de sensorhandleiding.

De temperatuursensoren 0511 en BT01 zijn weerstandgebaseerde (NTC)-sensoren. Het uitlezen van dit type sensoren vereist elektronica die niet aanwezig is in de systeemborden. De temperatuursensoren 016i en BT84i geven een uitvoerspanning van 0..5V op basis van de gemeten temperatuur. Dit type sensor kan wel door de systeemborden worden uitgelezen.

NB: in sommige gevallen blijkt het mogelijk de temperatuursensoren 0511 en BT01 via een verloopstukje te verbinden met de 4 mm ingangen van het systeembord. Hierdoor is de sensor bruikbaar met het systeembord. Houd er echter rekening mee dat de ijking van deze sensoren significant verschilt van de moderne 016i en BT84i sensoren. Lees voor meer informatie de sensorhandleidingen.

Een mogelijke oorzaak voor dit fenomeen is een te hoge meetfrequentie, waardoor het uitgezonden ultrasone signaal niet voldoende tijd heeft om gedetecteerd te worden voordat de volgende puls verzonden wordt.
Stel dat een afstand van 2 m moet worden gemeten. De ultrasone puls moet dan een een afstand van 2 x 2 = 4 m afleggen (via reflectie). Bij een geluidssnelheid van 300 m/s duurt dat 4/300 = 13,3 milliseconden. Als de meetfrequentie op 100 Hz staat, dan wordt de volgende puls na 10 ms verzonden. De reflectie van de eerste puls arriveert 3,3 ms na het verzenden van de tweede puls en wordt ook geïnterpreteerd als de reflectie van de tweede puls. De tijd van 3,3 ms komt overeen met een afstand van 3,3/300/2 = 0,55 m: een veel kleinere waarde dan de verwachte 2 meter.
In de praktijk blijkt dat de meetfrequentie voor dit type sensoren nooit hoger dan 25 Hz ingesteld moet worden en bij grotere afstanden nog lager, om ruis e.d. te voorkomen.

De sensor maakt voor het bepalen van de zuurstofconcentratie gebruik van een elektrochemische cel die langzaam verloopt. De sensor heeft daardoor een beperkte levensduur van ongeveer 2 à 3 jaar, waarna hij moet worden vervangen. Het gebruik kan worden verlengd door de sensor zo veel mogelijk zuurstofvrij te bewaren als deze niet gebruikt wordt.

Ja. CMA levert hiervoor een T-koppelstuk dat op het reactievat past en waarop beide gassensoren kunnen worden aangesloten.

De CO2-sensor meet elke drie seconden één keer de concentratie CO2. Dat betekent dat hij effectief maar één keer per drie seconden (als het lampje brandt) een meetwaarde registreert. Als de sensor vaker wordt uitgelezen dan dat hij meet, dus met meer dan 20 metingen per minuut, krijgt u een soort band van meetwaarden te zien. Dit voorkomt u door onder de meetinstellingen de meetfrequentie van Coach aan te passen naar een waarde die voor deze sensor geschikt is.

De CO2-sensor kan gekalibreerd worden door de kalibratieknop op de sensor te gebruiken. Deze knop zet de sensor terug naar een waarde rond de 400 ppm CO2 (de theoretische CO2-concentratie van frisse lucht). Plaats het 250 mL bemonsteringsflesje, meegeleverd met de sensor, in de buitenlucht en wacht lang genoeg om er zeker van te zijn dat de inhoud van het flesje frisse lucht bevat. Terwijl je nog buiten bent plaats je de sensor met de rubberen stop op de fles. Ga nu met je sensor en bemonsteringsflesje naar de locatie waar je de meting wilt uitvoeren. Sluit de CO2 sensor aan op de interface en laat deze 5 minuten opwarmen. Zodra de af te lezen waarden stabiliseren kun je met een paperclip of balpen de kalibratieknop indrukken. Na ongeveer 30 seconden stabiliseren de waarden tot rond de 400 ppm.

Van docent Kees Dekkers van het Rythovius in Eersel kregen wij een tip voor het nauwkeurig controleren van de ijking van de spirometer. Dit kan gedaan worden met twee in elkaar geschoven, afgesloten, afvoerbuizen van bekende inhoud (bv. 5 liter). Eén buisdeel wordt gevuld met water, het andere blijft leeg. Maak voor spirometer 0378i of de BT82i een verbinding tussen de spirometer en de lege buis aan de afgesloten kant. Voor de oude spirometer met het schoepje volstaat een gaatje in het uiteinde en plaatsing van de spirometer hiervoor, zodat de luchtstroom deze in werking zet. Start een meting en schuif de lege buis in het met water gevulde buisdeel en laat hem zakken. De opgesloten lucht ontsnapt via de spirometer. Omdat het volume van deze lucht bekend is, kan de ijking van de spirometer vastgesteld worden. N.B.: Let wel goed op dat er geen water in de spirometer terechtkomt (eerst uitproberen zonder aangesloten spirometer of er geen water uitkomt bij induwen van de buizen).

De spirometer meet de snelheid van de luchtstroom in liters per seconde. Het totale luchtvolume dat door de spirometer beweegt kan worden berekend door de snelheid van de luchtstroom te integreren als functie van de tijd. Dit kan in Coach worden gedaan met de optie Verwerken/Analyse > Integraal.
Wanneer je de luchtstoom omzet naar het volume is vaak een opwaartse of neerwaartse trend zichtbaar in de volume data. Je kunt voor deze drift corrigeren:

  • Voordat je start met je meting kun je het gemeten signaal van de sensor op nul zetten door met de rechtermuisknop op het sensor icoon in het schermpaneel te klikken en vervolgens ‘Op nul zetten’ te kiezen. Of
  • Corrigeer de gegevens nadat de meting is uitgevoerd. Zet een rechte lijn door de drift door middel van de Functie fit optie en gebruik vervolgens de formule om de drift af te trekken van de gemeten sensorgegevens.